Juni 2003 - De schrik van de Acht Zaligheden

Het einde van de 18e eeuw kenmerkt zich door armoede, bevolkingstoename, stijgende voedselprijzen en werkeloosheid. Bedelaars, gedroste soldaten en marskramers trekken langs de wegen. Afgelegen dorpen zijn vaak het slachtoffer van inbraken en afpersingen. Het opsporingsapparaat is gebrekkig. Men beperkt zich tot klopjachten en zoekacties in de ergst getroffen gebieden. De lokale overheden, schout en schepenen, zijn meestal onvoldoende uitgerust om op te treden tegen de vaak bewapende bendes. Waarschijnlijk zijn de mensen nog het beste beschermd door het optreden van de plaatselijke burgerwachten.

Tegen deze achtergrond opereerde de Steenselse Bende in de Kempenstreek, meer specifiek in de acht dorpen welke samen de Acht Zaligheden vormen. De Steenselse Bende is een groep mensen die enerzijds weliswaar zijn best doet om op de normale manier aan de kost te komen, maar anderzijds het middel van inbraak en smokkelen gebruikt om het karige bestaan wat op te fleuren en aangenamer te maken. Ondanks het feit dat de Steenselse Bende zoveel mogelijk het geweld vermeed en hun slachtoffers in de eerste plaats werden uitgekozen omdat er iets te halen viel, werden ze hard aangepakt. De Steenselse Bende werd de zondebok die de Justitie gebruikte om zijn machteloosheid met betrekking tot veel grotere misdaden en geweld enigszins te verbloemen.